ECLI:NL:CRVB:2023:741
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-aanvraag wegens ontbreken woon- en werkverleden in Nederland en geen aanspraak op huwelijkse tijdvakken
Appellante heeft op 9 maart 2020 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees deze aanvraag op 25 mei 2020 af, omdat appellante nooit in Nederland heeft gewoond of gewerkt en geen aanspraak kan maken op huwelijkse tijdvakken. Het bezwaar van appellante werd op 19 februari 2021 ongegrond verklaard door de Svb. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze beslissing op 28 december 2021.
In hoger beroep stelt appellante dat zij recht heeft op ouderdomspensioen omdat haar voormalige echtgenoot in Nederland verzekerd zou zijn geweest voor de AOW. De Svb handhaafde haar standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante niet heeft betwist dat zij zelf nooit in Nederland heeft gewoond of gewerkt en dat zij ook niet op een andere grond verzekerd is geweest. Daarnaast is niet aannemelijk dat haar voormalige echtgenoot tijdens het huwelijk verzekerd was voor de AOW, aangezien er geen verzekeringstijdvakken bij de Svb bekend zijn en appellante geen bewijs heeft geleverd.
De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.E.V. Lenos en griffier E.J. van der Veldt op 20 april 2023.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de AOW-aanvraag wegens ontbreken van woon- en werkverleden in Nederland en geen aanspraak op huwelijkse tijdvakken.