Appellant ontving een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling door het UWV werd de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd naar 8,10%, waarna de uitkering per 3 juli 2019 werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit ongegrond. Appellant voerde aan dat het besluit ten onrechte niet aan zijn gemachtigde was gestuurd en dat hij recht had op een fysieke hoorzitting. De rechtbank oordeelde dat er geen nauwe verwevenheid was tussen de herbeoordeling en eerdere zaken waarbij de gemachtigde optrad, en dat een telefonische hoorzitting gelet op COVID-19 maatregelen toereikend was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure. De Centrale Raad van Beroep verwierp de nieuwe stukken wegens strijd met hoor en wederhoor en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Tevens werd geoordeeld dat de redelijke termijn niet was overschreden en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek om vergoeding van de schade af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.