ECLI:NL:CRVB:2023:772
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2010 ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten en ontving vanaf 2013 een WIA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid, later vastgesteld op 80-100%.
Na een herbeoordeling in 2019 stelde een verzekeringsarts met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv beëindigde daarop de WIA-uitkering per 19 april 2019. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna ook de rechtbank het besluit bevestigde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat, onder meer vanwege psychische klachten in remissie en pijnklachten die ketamine-infuustherapie vereisen. De Raad oordeelde echter dat de medische beoordeling juist en zorgvuldig was, dat de psychische klachten waren afgenomen sinds 2013 en dat de lichamelijke beperkingen adequaat waren meegenomen in de FML.
De arbeidsdeskundige had bovendien passend werk geselecteerd dat binnen de beperkingen van appellante valt. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de medische beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat de beëindiging van de WIA-uitkering terecht was. Appellante kan zich binnen vijf jaar opnieuw melden bij verslechtering van haar situatie.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.