ECLI:NL:CRVB:2023:782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging Werkplan UWV ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid appellant
Appellant, werkzaam als grondwerker, meldde zich in 2016 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Na afloop van de wachttijd kende het UWV hem in 2018 een WGA-vervolguitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 47,34%. Het UWV stelde vervolgens een Werkplan op gericht op re-integratie, waarbij rekening werd gehouden met de beperkingen van appellant.
Appellant maakte bezwaar tegen het Werkplan en stelde in hoger beroep dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat het UWV geen maatwerk heeft geleverd. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en bevestigde het Werkplan. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat appellant op de datum in geding niet volledig arbeidsongeschikt was en dat het UWV terecht een Werkplan heeft opgesteld.
De Raad benadrukt dat appellant verplicht is mee te werken aan re-integratie en dat het Werkplan specifiek is afgestemd op zijn beperkingen, onder meer door deelname aan een begeleidingsmodule gericht op het vergroten van zijn sociale netwerk. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een Werkplan heeft opgesteld omdat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is.