Appellante was werkzaam als magazijnmedewerkster en meldde zich ziek met fysieke en mentale klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij niet geschikt was voor haar laatst verrichte werk en berekende haar arbeidsongeschiktheidspercentage op 50,52%, later bij bezwaar verlaagd naar 41,14%.
De rechtbank vernietigde het besluit voor zover de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 juni 2020 werd vastgesteld en bepaalde dat deze vanaf 18 maart 2021 geldt, vanwege het verbod op reformatio in peius. In hoger beroep betoogde appellante dat dit verbod ruimer geïnterpreteerd moet worden en dat haar beperkingen onvoldoende zijn vastgesteld, mede gelet op een latere volledige arbeidsongeschiktheidsverklaring.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage per 18 maart 2021 heeft geëffectueerd en dat de medische grondslag van het besluit voldoende is gemotiveerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, bevestigend dat de mate van arbeidsongeschiktheid op 41,14% is vastgesteld.
Er wordt geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.