De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap legde betrokkene een vordering op wegens meerinkomen in 2015, omdat betrokkene meer had bijverdiend dan toegestaan binnen de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Betrokkene had studiefinanciering ontvangen in de vorm van een basisbeurs, aanvullende beurs en een reisproduct.
De rechtbank Amsterdam had het beroep van betrokkene gegrond verklaard, omdat zij aannam dat betrokkene zijn studiefinanciering per 1 oktober 2015 geheel had stopgezet. De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat betrokkene het reisproduct pas in augustus 2016 stopzette en dat hij de nul-lening na 1 oktober 2015 niet had bestreden.
De Centrale Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat betrokkene tijdig zijn studiefinanciering had stopgezet. De Raad wees op de dwingendrechtelijke bepalingen van artikel 3.17 Wsf 2000, die de vordering rechtvaardigen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de vordering konden verminderen. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.