ECLI:NL:CRVB:2023:849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellante, voormalig kassière, heeft sinds 2012 medische klachten en ontving een WGA-uitkering geweigerd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld. Na meerdere bezwaren en herbeoordelingen heeft het UWV in 2018 opnieuw geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren ingeschat.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, mede door epilepsie en ernstige depressie, waren onderschat en dat een urenbeperking noodzakelijk was. Zij verzocht tevens om benoeming van een onafhankelijke verzekeringsarts. De Raad oordeelde dat de toename van psychische klachten weliswaar was vastgesteld, maar dat de beperkingen adequaat waren gemotiveerd en dat de epilepsie pas in 2015 was ontstaan, waardoor deze niet meegenomen kon worden bij de beoordeling van 2014.
De Raad vond geen aanleiding om de medische beoordeling te betwijfelen en wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.