ECLI:NL:CRVB:2023:874
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging forfaitaire proceskostenvergoeding in bezwaar tegen herziening WAZ-uitkering
Appellante ontving vanaf 1998 een WAZ-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Het UWV stelde later vast dat haar inkomsten als zelfstandige vanaf 2007 niet waren beoordeeld en herzag de uitkering over 2007-2017, met terugvordering van te veel ontvangen bedragen.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht om een integrale kostenvergoeding. Het UWV verklaarde het bezwaar gegrond en herzag het besluit, maar kende slechts een forfaitaire vergoeding toe. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen bijzondere omstandigheden waren die een hogere vergoeding rechtvaardigen.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onredelijk en onzorgvuldig had gehandeld door een onjuist maatmaninkomen te hanteren en onjuiste besluiten te nemen, wat tot onnodige kosten leidde. De Raad oordeelde dat het UWV niet bewust onzorgvuldig had gehandeld, niet beschikte over alle benodigde informatie en de primaire besluiten na verkregen gegevens snel had herzien.
De Raad concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om af te wijken van de forfaitaire vergoeding en bevestigde het bestreden vonnis. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een forfaitaire proceskostenvergoeding toekent en wijst het hoger beroep van appellante af.