ECLI:NL:CRVB:2023:880

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 mei 2023
Publicatiedatum
10 mei 2023
Zaaknummer
21/1260 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens gewijzigde beslissing UWV

Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV. Het UWV nam op 6 oktober 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Vervolgens trok appellante op 11 november 2022 het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten.

Het UWV maakte geen gebruik van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen. Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht werd het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.

De Raad oordeelde dat het UWV op grond van artikel 8:75a en 8:108 Awb terecht kan worden veroordeeld in de proceskosten wanneer het bestuursorgaan tegemoetkomt aan de indiener van het beroepschrift en het beroep wordt ingetrokken. De proceskosten werden begroot op €1.674,- voor het beroep en €837,- voor het hoger beroep, in totaal €2.511,-. Appellante kan het betaalde griffierecht rechtstreeks bij het UWV verhalen.

De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het UWV tot betaling van deze proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €2.511,- aan proceskosten aan appellante na intrekking van het hoger beroep wegens gewijzigde beslissing op bezwaar.

Uitspraak

Datum uitspraak: 10 mei 2023
21/1260 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
23 februari 2021, 20/1990 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 6 oktober 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 11 november 2022 heeft mr. Türkkol namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, bestaande uit kosten voor de aan appellante verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.
Het Uwv heeft niet gebruikgemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

BESLISSING

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 6 oktober 2022 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 1.674,- in beroep en € 837,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 2.511,-.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.511,-.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) H. Alajai