ECLI:NL:CRVB:2023:899
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid als onderhoudsmonteur
Appellant, voormalig onderhoudsmonteur, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts werd vastgesteld dat appellant per 7 juni 2021 geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid, waarna het UWV het recht op ziekengeld beëindigde. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar deze werden ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn fysieke beperkingen onvoldoende waren meegewogen. Hij stelde dat hij niet in staat was zijn werk uit te voeren, mede vanwege de aard van zijn werkzaamheden die ook bezoeken aan klanten omvatten. Het UWV handhaafde het standpunt dat appellant geschikt was voor arbeid.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts voldoende rekening had gehouden met de beperkingen van appellant. De Raad verwierp het verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen wegens gebrek aan twijfel over de medische beoordeling. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.