ECLI:NL:CRVB:2023:931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand en het college trok deze in en vorderde terug over de periode 27 maart 2018 tot en met 12 april 2019 wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met A, met wie hij een kind had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad stelde vast dat op grond van artikel 3, vierde lid, van de Participatiewet het onweerlegbaar rechtsvermoeden geldt dat bij een gezamenlijk kind ook sprake is van een gezamenlijke huishouding indien het hoofdverblijf in dezelfde woning is. De verklaringen van appellant en A tijdens sociale recherchegesprekken waren voldoende om aan te nemen dat zij in genoemde periode een gezamenlijke huishouding voerden.
Appellant voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege het gebruik van een telefonische tolk en het ontbreken van huisbezoeken voorafgaand aan gesprekken. De Raad verwierp deze gronden, stellende dat een telefonische tolk toereikend was en dat het ontbreken van verder onderzoek niet leidde tot onzorgvuldigheid.
Daarmee bleef het college terecht bij de intrekking en terugvordering van de bijstand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.