Uitspraak
22.3410 WIA
P.J.L.H. Coenen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was administratief medewerker en meldde zich ziek met fysieke en psychische klachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden-lijst (FML) niet waren onderschat.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en voerde zij aan dat de diagnose was bijgesteld naar ADHD en borderlinepersoonlijkheidsstoornis, maar dat dit niet tot aanpassing van de FML had geleid. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat het onderzoek zorgvuldig was verricht, inclusief een lichamelijk onderzoek van de lumbale wervelkolom.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de geduide functies de vastgestelde belastbaarheid niet overschrijden en dat het ontbreken van een rijbewijs niet relevant is voor de beoordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.