ECLI:NL:CRVB:2023:943
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 69,98% in WIA-procedure
Appellant, laatstelijk werkzaam als allround productiemedewerker, meldde zich in mei 2017 ziek met rug- en nekklachten. Na operaties en medisch onderzoek is vastgesteld dat appellant belastbaar is met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV kende appellant een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 56,49%, later bij bezwaar verhoogd naar 69,98%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige grondslagen van het UWV-besluit. In hoger beroep stelde appellant dat hij ook psychische klachten had en volledig arbeidsongeschikt was, in aanmerking komend voor een IVA-uitkering. Het UWV bracht appellant per juli 2021 in aanmerking voor een IVA-uitkering.
De Raad oordeelde dat de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 69,98% per 20 mei 2019 juist is. De beperkingen in de FML zijn voldoende gemotiveerd en passen bij de medische situatie. Latere medische informatie over artrose in 2021 rechtvaardigt geen hogere beperkingen in 2019. De functies die ten grondslag liggen aan de berekening zijn medisch geschikt bevonden.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 20 mei 2019 terecht is vastgesteld op 69,98%.