Uitspraak
21.4124 WIA
25 oktober 2021, 20/2820 (aangevallen uitspraak)
mr. M.J.H.H. Fuchs.
OVERWEGINGEN
6 maart 2020 een uitkering op grond van de Wet WIA aan appellante heeft geweigerd.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante viel op 9 maart 2018 uit wegens gezondheidsklachten en vroeg op 16 december 2019 een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze per 6 maart 2020 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) correct was opgesteld en de beperkingen van appellante passend waren meegenomen.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door haar niet tijdens een spreekuur door een verzekeringsarts te laten onderzoeken en dat haar lichamelijke en psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen. Op 1 augustus 2022 vond alsnog een spreekuurcontact plaats, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen aanleiding was het eerdere standpunt te wijzigen.
De Raad oordeelde dat het onderzoek uiteindelijk zorgvuldig en volledig was geweest, waarbij alle medische informatie was betrokken. De beperkingen zoals vastgelegd in de FML waren juist en de geselecteerde functies waren geschikt. Hoewel het oorspronkelijke besluit onzorgvuldig was voorbereid, was appellante hierdoor niet benadeeld omdat het besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door F.M. Rijnbeek op 17 mei 2023.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.