Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:965

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 mei 2023
Publicatiedatum
17 mei 2023
Zaaknummer
21/2564 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid bevestigd

Appellant was werkzaam als agendabeheerder en callcentermedewerker tot zijn dienstverband eindigde op 31 december 2015. Na diverse periodes van ziekte en het ontvangen van WW- en Ziektewetuitkeringen, heeft het UWV op 13 september 2018 besloten het ziekengeld te beëindigen omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn laatst verrichte arbeid.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond. De rechtbank benoemde een verzekeringsarts als deskundige die oordeelde dat appellant weliswaar diverse aandoeningen heeft, maar dat zijn belastbaarheid niet wordt overschreden door de maatgevende arbeid. De rechtbank volgde dit oordeel en wees het beroep af.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt over zijn arbeidsongeschiktheid en klachten, maar leverde geen nieuwe medische informatie die het eerdere oordeel zou kunnen weerleggen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en de deskundige en bevestigde de beëindiging van het ziekengeld per 17 september 2018.

De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en sprak de beslissing uit in het openbaar op 17 mei 2023.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 17 september 2018 wordt bevestigd.

Uitspraak

21/2564 ZW
Datum uitspraak:17 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2021, 18/7481 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Heijnen hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een nadere reactie ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als agendabeheerder / callcentermedewerker / thuiswerker voor 40 uur per week. Het dienstverband is op 31 december 2015 geëindigd, waarna het Uwv aan appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft toegekend. Van 2 januari 2016 tot 24 mei 2016 is appellant ziek geweest, waarbij het Uwv aan hem ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) heeft toegekend. Daarna is de WWuitkering voorgezet. Appellant heeft zich op 15 november 2017 weer ziekgemeld en het Uwv heeft bij besluit van 9 februari 2018 geweigerd aan hem ziekengeld toe te kennen.
1.2.
Op 2 juli 2018 heeft appellant zich opnieuw ziekgemeld met diverse psychische en lichamelijke klachten. Op 12 september 2018 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 17 september 2018 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van agendabeheerder. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 september 2018 vastgesteld dat appellant per 17 september 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 september 2018 heeft het Uwv bij besluit van 6 december 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 december 2018 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aanleiding gezien om een deskundige (verzekeringsarts) te benoemen om nader onderzoek te verrichten naar de medische situatie van appellant. De deskundige heeft op de datum in geding een aantal (geobjectiveerde) aandoeningen bij appellant vastgesteld. Volgens de deskundige was op de datum in geding bij appellant geen sprake van een situatie waarin hij geen benutbare mogelijkheden heeft. De deskundige heeft appellants belastbaarheid in kaart gebracht en vervolgens gewogen hoe de belastbaarheid van appellant zich verhoudt tot de belasting in zijn maatgevende arbeid. Volgens de deskundige wordt appellants belastbaarheid niet overschreden in de maatgevende arbeid en is appellant daarvoor dus geschikt. De rechtbank heeft overwogen dat de deskundige zorgvuldig en uitvoerig onderzoek heeft verricht en overtuigend heeft gemotiveerd waarom appellant geschikt is voor de maatgevende arbeid. Daarom heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de deskundige niet te volgen. In wat appellant in reactie op het deskundigenrapport heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen reden gezien om anders te concluderen. De rechtbank is appellant ook niet gevolgd in zijn standpunt dat het werk dat hij als laatste deed niet als eigen werk aangemerkt kan worden.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij sinds zijn eerste ziekmelding op 15 november 2017 arbeidsongeschikt is gebleven en dat zijn klachten zijn toegenomen. Appellant heeft zowel lichamelijke als psychische klachten. De diagnoses somatoforme pijnstoornis, gegeneraliseerde angst, rugpijn aspecifiek chronisch en adipositas / obesitas zijn gesteld. Appellant is bij specialisten onder behandeling (geweest) voor oogklachten, cluster-hoofdpijnklachten, buikklachten, hypercholesterolemie en een paniekstoornis met vermijdingsgedrag. Appellant acht zich niet geschikt voor zijn eigen werk als gevolg van zijn klachten en beperkingen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
Ter beoordeling staat of de rechtbank het beroep van appellant terecht ongegrond heeft verklaard. In geschil is of het Uwv terecht het ziekengeld van appellant heeft beëindigd met ingang van 17 september 2018.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. De rechtbank heeft ook navolgbaar gemotiveerd waarom de door haar ingeschakelde deskundige in zijn conclusies wordt gevolgd. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel leidt.
5. De overwegingen in 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Schaap