ECLI:NL:CRVB:2023:98

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2023
Publicatiedatum
18 januari 2023
Zaaknummer
21/1795 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant, laatst werkzaam als medewerker groenvoorziening, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid na ziekmelding met fysieke klachten in november 2016. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Na bezwaar en beroep werden enkele beperkingen toegevoegd, maar bleef de conclusie dat appellant geen verlies aan verdiencapaciteit had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, onder meer vanwege het ontbreken van een lichamelijk onderzoek en onvoldoende rekening met diverse klachten zoals diabetes, nekhernia en carpaal tunnelsyndroom. Tevens verzocht hij om een deskundige en schadevergoeding.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met inachtneming van alle relevante medische gegevens en een hoorzitting. Er was geen aanleiding tot twijfel over de beoordeling van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Het verzoek om een deskundige werd afgewezen. Ook de rechtbank werd gevolgd in het oordeel dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat de werkbelasting binnen de toegestane grenzen bleef.

Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding en wettelijke rente werd afgewezen. De proceskostenveroordeling werd eveneens niet toegewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

21 1795 WIA

Datum uitspraak: 12 januari 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2021, 19/4596 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker groenvoorziening voor
35,73 uur per week. Op 7 november 2016 heeft hij zich ziek gemeld met fysieke klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 januari 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%. Bij besluit van
1 februari 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 5 november 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 februari 2019 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 5 juli 2019, gelet op het huisartsenjournaal en de informatie van de neuroloog, aanvullende beperkingen aangenomen en een gewijzigde FML vastgesteld. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 18 juli 2019 drie functies laten vervallen, deels vanwege de gewijzigde FML en deels vanwege het niet voldoen aan de opleidingseis. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft drie extra functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant onverminderd geen verlies aan verdiencapaciteit heeft. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van
1 februari 2019 bij besluit van 22 juli 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een zorgvuldig medisch onderzoek heeft uitgevoerd. Het Uwv heeft appellant terecht belastbaar geacht overeenkomst de FML van 5 juli 2019 en in staat geacht om de geselecteerde functies te verrichten.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de medische beoordeling niet zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte afgezien van een lichamelijk onderzoek en heeft onvoldoende rekening gehouden met appellants beperkingen. Appellant heeft gesteld dat uit de medische gegevens blijkt dat op de datum in geding sprake is van een niet goed gereguleerde diabetes. Naast de diabetes, de nekhernia en de hypertensie is sprake van rugpijn en knieklachten, beperkingen aan de schouder, de elleboog, de handen en de vingers (carpaal tunnelsyndroom). Appellant heeft gesteld dat een urenbeperking moet worden gehanteerd. Hij acht zich niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten. Appellant heeft verzocht een deskundige te benoemen. Tot slot heeft appellant verzocht om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de schade bestaande uit wettelijke rente.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 5 november 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur gezien, een psychisch en lichamelijk onderzoek verricht en de beschikbare medische informatie bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gesproken tijdens een hoorzitting en heeft de in bezwaar ingediende medische informatie, waaronder informatie van de huisarts (medische kaart) en brieven van de neuroloog kenbaar bij de beoordeling betrokken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 16 juli 2020 nader gerapporteerd naar aanleiding van door appellant in beroep ingediende medische informatie.
4.4.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de klachten en beperkingen van appellant kunnen worden gevolgd. In wat appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
4.5.
Wat betreft de handklachten heeft de verzekeringsarts bij het lichamelijk onderzoek op 21 januari 2019 geconstateerd dat er geen sprake is van krachtsvermindering. De handgrepen, fijne motoriek en coördinatie waren in tact. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tijdens de hoorzitting ook aandacht besteed aan de handklachten en opgemerkt dat appellant vlot met de rechterhand kan reiken om iets te pakken en dat hij gebruik maakt van de rechterhand. Hij kan de pols omhoog en omlaag draaien. De plastisch chirurg heeft in zijn brief van 7 mei 2019 als mogelijke diagnose gedacht aan een carpaal tunnelsyndroom (CTS), maar niet is gebleken dat deze diagnose op de datum in geding daadwerkelijk is gesteld.
4.6.
Met de klachten van de niet goed gereguleerde diabetes type 2 is rekening gehouden. De verzekeringsarts heeft appellant beperkt geacht voor veelvuldige deadlines/targets en conflicthantering, omdat dit hem te veel energie zou kosten. Verder is vanwege verminderde energetische belastbaarheid een beperking aangenomen voor nachtdiensten en ploegendienst met zeer uiteenlopende begintijden. Voor een urenbeperking heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien. In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 5 juli 2019 geconcludeerd dat er geen indicatie is om meer beperkingen aan te nemen. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn diabetesklachten.
4.7.
Omdat de Raad geen twijfel heeft over de juistheid van de medische beoordeling, bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te raadplegen. Het verzoek om een deskundige in te schakelen wordt daarom ook in hoger beroep afgewezen.
4.8.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat uitgaande van de juistheid van de FML van 5 juli 2019 het Uwv met de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Anders dan appellant heeft aangevoerd, overschrijdt de werkbelasting ten aanzien van de repetitieve hand- en vingerbewegingen in de geselecteerde functies niet de toegestane belastbaarheid.
4.9.
Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is een vergoeding van de schade niet aan de orde. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente wordt dan ook afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2023.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) C.G. van Straalen