Uitspraak
21.3994 PW-PV
Griffier: S. Ploum
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak staat centraal of appellanten terecht zijn aangesproken op het schenden van hun inlichtingenplicht met betrekking tot inkomsten uit arbeid in de maanden augustus en september 2020. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank Rotterdam dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij tijdig de arbeidsovereenkomst en loonstroken aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam hebben verstrekt.
Appellanten voerden aan dat zij deze documenten per post hadden toegezonden, maar konden dit niet onderbouwen. Integendeel, een telefoonnotitie van een gemeentemedewerker vermeldt dat appellant 2 verklaarde dat appellant 1 niet gemakkelijk aan zijn loonstroken en arbeidsovereenkomst kon komen. Ook de stelling dat een kopie van de arbeidsovereenkomst op 22 augustus 2020 aan een medewerkster van de gemeente was verstrekt, werd niet aannemelijk gemaakt.
Het college wist wel dat appellant 1 moest deelnemen aan een participatietraject, maar niet dat hij daadwerkelijk werk had gekregen en inkomsten ontving. Het beroep van appellanten op het voordeel van de twijfel en dringende redenen om af te zien van terugvordering werd door de Raad niet gevolgd, omdat deze gronden reeds door de rechtbank overtuigend waren gemotiveerd en appellanten deze niet hebben weerlegd.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat appellanten hun inlichtingenplicht hebben geschonden, waardoor het college terecht de bijstand heeft herzien en het teveel ontvangen bedrag van € 2.247,91 heeft teruggevorderd. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellanten krijgen geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van bijstand worden bevestigd.