ECLI:NL:CRVB:2023:981

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 mei 2023
Publicatiedatum
23 mei 2023
Zaaknummer
21 / 3994 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht over inkomsten arbeid

In deze zaak staat centraal of appellanten terecht zijn aangesproken op het schenden van hun inlichtingenplicht met betrekking tot inkomsten uit arbeid in de maanden augustus en september 2020. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank Rotterdam dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij tijdig de arbeidsovereenkomst en loonstroken aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam hebben verstrekt.

Appellanten voerden aan dat zij deze documenten per post hadden toegezonden, maar konden dit niet onderbouwen. Integendeel, een telefoonnotitie van een gemeentemedewerker vermeldt dat appellant 2 verklaarde dat appellant 1 niet gemakkelijk aan zijn loonstroken en arbeidsovereenkomst kon komen. Ook de stelling dat een kopie van de arbeidsovereenkomst op 22 augustus 2020 aan een medewerkster van de gemeente was verstrekt, werd niet aannemelijk gemaakt.

Het college wist wel dat appellant 1 moest deelnemen aan een participatietraject, maar niet dat hij daadwerkelijk werk had gekregen en inkomsten ontving. Het beroep van appellanten op het voordeel van de twijfel en dringende redenen om af te zien van terugvordering werd door de Raad niet gevolgd, omdat deze gronden reeds door de rechtbank overtuigend waren gemotiveerd en appellanten deze niet hebben weerlegd.

De Centrale Raad van Beroep concludeert dat appellanten hun inlichtingenplicht hebben geschonden, waardoor het college terecht de bijstand heeft herzien en het teveel ontvangen bedrag van € 2.247,91 heeft teruggevorderd. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellanten krijgen geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van bijstand worden bevestigd.

Uitspraak

21.3994 PW-PV

Datum uitspraak: 9 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 oktober 2021, 21/2911 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] (appellant 1) en [appellant 2] (appellant 2) te [woonplaats] (tezamen: appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Zitting heeft: mr. E.C.E. Marechal
Griffier: S. Ploum
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 mei 2023. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. drs. ir. G.A.S. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van Duivenvoorde.

OVERWEGINGEN

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het college de bijstand van appellanten terecht heeft herzien over de periode van 10 augustus 2020 tot en met 30 november 2020 en of het college over die periode terecht een bedrag van € 2.247,91 van appellanten heeft teruggevorderd.
Niet in geschil is dat appellant 1 in die periode heeft gewerkt en inkomsten uit die arbeid heeft ontvangen. Ook is niet in geschil dat die inkomsten van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en dat appellanten deze inkomsten daarom bij het college hadden moeten melden. Verder is gelet op het verhandelde ter zitting niet meer in geschil dat appellanten bij het college niet hebben gemeld dat appellant 1 in oktober en november 2020 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. In hoger beroep gaat het nog om de vraag of appellanten ook ten aanzien van inkomsten in de maanden augustus en september 2020 de op hun rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Appellanten stellen dat zij het feit dat appellant 1 werk had en de daaruit voortvloeiende inkomsten over die maanden, wel tijdig bij het college hebben gemeld.
Appellanten hebben hun stelling, dat zij per post wél de (nul uren) arbeidsovereenkomst en de loonstroken van appellant 1 over de maanden augustus en september 2020 aan de gemeente Rotterdam hebben toegezonden, niet aannemelijk gemaakt. Ze hebben hun stelling namelijk niet onderbouwd. Het dossier bevat bovendien een aanwijzing voor het tegendeel. Uit een telefoonnotitie van een medewerker van de gemeente Rotterdam blijkt namelijk dat appellant 2 op 17 december 2020 heeft verklaard dat appellant 1 niet gemakkelijk aan zijn loonstroken en arbeidsovereenkomst kon komen.
Appellanten hebben ook hun stelling dat appellant 2 op 22 augustus 2020 een kopie van de arbeidsovereenkomst van appellant 1 aan een medewerkster van Vraagwijzer van de gemeente Rotterdam heeft verstrekt, niet aannemelijk gemaakt. Appellanten hebben ook voor die stelling geen onderbouwing gegeven, terwijl die stelling ook pas voor het eerst op de zitting van de Raad naar voren is gebracht.
Dat het college, zoals appellanten hebben aangevoerd, wist dat appellant 1 moest deelnemen aan een participatietraject van de gemeente, betekent nog niet dat het college ook wist dat het appellant 1 daadwerkelijk gelukt was om werk te verkrijgen en inkomsten daaruit te ontvangen. Ook dit betoog slaagt daarom niet.
Appellanten betogen verder dat bij de herziening en terugvordering aan hen, net als bij de boetezaak, het voordeel van de twijfel moet worden gegeven. Wat appellanten in hoger beroep daarover en over het afzien van de terugvordering vanwege dringende redenen hebben aangevoerd, betreft in essentie een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Appellant heeft in hoger beroep niet toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank niet juist zou zijn. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden op deze punten geheel onderschreven.
Het voorgaande betekent dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden. Het college moest de bijstand van appellanten dan ook herzien en de teveel ontvangen bijstand van appellanten terugvorderen.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
Appellanten krijgen daarom geen vergoeding van proceskosten en krijgen ook het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S. Ploum (getekend) E.C.E. Marechal