ECLI:NL:CRVB:2024:1006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met rug- en armklachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat hij volgens hun beoordeling slechts 13,68% arbeidsongeschikt is. Na bezwaar en beroep bleef het UWV bij dit standpunt, waarbij een nieuwe medische beoordeling een lichte aanpassing gaf tot 29,73% arbeidsongeschiktheid, nog steeds onder de 35%-grens.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de medische beoordeling onvolledig was, met name over de beperkingen aan zijn rechterelleboog en over de geschiktheid van de geselecteerde functies.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat er onvoldoende aanleiding is om te twijfelen aan de medische beoordeling van het UWV. De Raad wees op de gewijzigde FML-sjabloon en concludeerde dat de beperkingen adequaat waren meegenomen. Ook de arbeidskundige beoordeling van de functies lader/losser, wikkelaar en productiemedewerker industrie werd als passend beoordeeld.
Het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen werd afgewezen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.