ECLI:NL:CRVB:2024:1012
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft op 20 augustus 2019 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en heeft daarom de uitkering geweigerd per 3 december 2019.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft dit besluit bevestigd en geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de arbeidskundige beoordeling juist is. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV heeft vastgesteld en dat het medisch onderzoek niet onpartijdig was, maar bracht geen nieuwe feiten of argumenten in.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk heeft gehandeld bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid. De functies die aan de beoordeling ten grondslag liggen zijn passend voor appellante.
De weigering van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 mei 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.