ECLI:NL:CRVB:2024:1020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige beoordeling
Appellant, werkzaam als chauffeur, meldde zich ziek op 5 augustus 2019 en vroeg op 3 mei 2021 een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering per 2 augustus 2021, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd ondersteund door rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die beperkingen vaststelden, maar concludeerden dat appellant geschikt was voor geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische beperkingen voldoende onderbouwd waren en dat appellant in staat was de geselecteerde functies uit te oefenen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij meer beperkingen had, onder meer door medicatiegebruik en slaapproblemen, en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aangevoerde gronden grotendeels herhalingen waren en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde overtuigend dat er geen aanleiding was de beperkingen aan te scherpen, en de arbeidsdeskundige bevestigde dat de functies passend waren, ook met de aanvullende beperkingen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.