Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die wegens problemen met haar echtgenoot in een blijfhuis verbleef, vroeg bijstand aan per 1 april 2020 voor een woning in Hoofddorp. Het college wees de aanvraag af omdat zij geen hoofdverblijf had op het opgegeven adres. De rechtbank oordeelde dat appellante vanaf 5 juli 2020 wel haar hoofdverblijf had en kende bijstand toe vanaf die datum.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij al vanaf 1 april 2020 haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres, ondanks dat de woning niet was ingericht en zij vaak in de woonplaats van haar kinderen verbleef. De Raad oordeelde dat uit concrete feiten en omstandigheden bleek dat het zwaartepunt van haar persoonlijke leven tot 5 juli 2020 niet op het opgegeven adres lag.
Bewijzen zoals bankafschriften, verklaringen van een familievriend en reisgegevens ondersteunden dit oordeel. De intentie van appellante was onvoldoende om het hoofdverblijf vanaf 1 april 2020 aan te nemen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de afwijzing van de bijstand over de periode 1 april tot 5 juli 2020 bleef in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag over de periode 1 april tot 5 juli 2020 wordt bevestigd wegens ontbreken van hoofdverblijf op het opgegeven adres.