ECLI:NL:CRVB:2024:1039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing individuele inkomenstoeslag wegens pensioengerechtigde leeftijd echtgenoot
Appellante en haar echtgenoot vroegen op 25 augustus 2020 een individuele inkomenstoeslag aan op grond van artikel 36 van Pro de Participatiewet. Het college wees de aanvraag af omdat de echtgenoot op de aanvraagdatum de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, waardoor niet aan de voorwaarden werd voldaan.
Appellante maakte bezwaar, maar het college handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat het gezamenlijk inkomen slechts 4,2% boven de inkomensgrens lag en deed zij een beroep op de hardheidsclausule van de Verordening individuele inkomenstoeslag Maastricht-Heuvelland 2015.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de hardheidsclausule niet bedoeld is om af te wijken van de wettelijke voorwaarden in artikel 36 van Pro de Participatiewet. Omdat de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, voldeden zij niet aan de wettelijke voorwaarden. De geringe overschrijding van de inkomensgrens vormt geen onbillijkheid van overwegende aard. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag wordt bevestigd omdat niet aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.