ECLI:NL:CRVB:2024:1055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit na burn-out
Appellante, laatstelijk werkzaam als verkoopster, meldde zich ziek met burn-out klachten en ontving aanvankelijk ziekengeld. Het UWV stelde na onderzoek vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen in passende functies, waarop het recht op ziekengeld werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij zwaarder beperkt was dan vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was omdat zij niet was gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen. Zij overlegde een expertiserapport en verwees naar een latere toekenning van ZW-uitkering. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep de conclusies van appellantes expert niet onderbouwde.
De Raad overwoog dat de diagnose PTSS niet in de medische informatie stond en dat beperkingen alleen bij ernstige stoornissen worden toegekend. Ook de voorgestelde verdere urenbeperking werd niet gevolgd. De latere toekenning van ziekengeld in 2021 had geen invloed op de belastbaarheid op de datum in geding. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering omdat appellante meer dan 65% van haar loon kan verdienen.