Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1077

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2024
Publicatiedatum
7 juni 2024
Zaaknummer
23/1182 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 2, vijfde lid, Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens spannings- en paniekklachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de uitkering af. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij meer beperkingen heeft en niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde het UWV in het gelijk.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door ernstige psychische klachten in een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM) verkeert en intensieve begeleiding nodig heeft. Zij overhandigde een nieuw psychologisch rapport ter onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat dit rapport geen nieuwe feiten bevat die de situatie op de peildatum 3 mei 2021 wijzigen. De medische beoordeling van het UWV is zorgvuldig en juist, en de geselecteerde functies zijn passend.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de eerdere uitspraak. Appellante krijgt geen WIA-uitkering en geen vergoeding van proceskosten. De beslissing is op 28 mei 2024 in het openbaar uitgesproken door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering aan appellante wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

23/1182 WIA
Datum uitspraak: 28 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
28 februari 2023, 22/1720 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 3 mei 2021 geen
WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering aan appellante heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. de Vries, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Vries en [naam] van [bedrijf 1] . Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als helpende voor gemiddeld 8,05 uur per week. Op 6 mei 2019 heeft zij zich ziekgemeld met spanningsklachten en paniekklachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een
Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 april 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 28 april 2021 geweigerd appellante met ingang van 3 mei 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 7 maart 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien de FML bij te stellen door verdergaande beperkingen op te nemen op zowel het mentale als ook fysieke vlak. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat niet alle geselecteerde functies in overeenstemming zijn met de aangepaste FML van 23 februari 2022. Daarom heeft hij naast de eerder geselecteerde functies van assemblage medewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) en papierwarenmaker (SBC-code 268040), als nieuwe functies huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334), medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) en huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333) geselecteerd en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van deze drie functies 34% is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit wat appellante naar voren heeft gebracht niet is gebleken dat de medische beoordeling onjuist zou zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat bij appellante geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden (GBM). De rechtbank is niet gebleken dat de psychische beperkingen van appellante zouden zijn onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij appellante uitgegaan van een licht verstandelijke beperking, een matig ernstige (recidiverende) depressie en een gegeneraliseerde angststoornis. Dit komt overeen met het door appellante in bezwaar overgelegde psychodiagnostisch rapport van 7 december 2021. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat zij ten onrechte niet beperkt is geacht voor het vasthouden en verdelen van de aandacht. Beperkingen in geheugen, concentratie en handelingstempo worden aangenomen als er sprake is van een ernstige stoornis. De rechtbank is niet gebleken dat hier bij appellante sprake van zou zijn. In de FML zijn beperkingen aangenomen die samenhangen met de concentratie- en geheugenklachten van appellante. In geval van complexe taken is appellante daarin aangewezen op een laag handelingstempo en een werkomgeving zonder auditieve prikkels. Ook is appellante aangewezen op structuur en regelmaat en werk dat in grote lijnen voorspelbaar is. De rechtbank is niet gebleken dat de beperkingen van de fysieke beperkingen van appellante zouden zijn onderschat. De aangenomen beperkingen komen ook overeen met de informatie van de bekkenfysiotherapeut. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen specifieke beperking in hand- en vingergebruik aangenomen. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarin kunnen volgen, omdat deze klachten niet worden ondersteund met medische informatie. De rechtbank heeft in wat appellante in beroep heeft aangevoerd geen reden gezien te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft in hoger beroep aangevoerd dat als gevolg van haar ernstige psychische klachten sprake is van een situatie van GBM als bedoeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). Appellante is niet in staat om haar leven te leiden zonder intensieve begeleiding. Dit is ook verklaard door haar ambulant begeleidster ter zitting. Ter onderbouwing is in hoger beroep een verklaring van 18 april 2023 van GZ-psycholoog/orthopedagoog
[X] van ‘[bedrijf 2] ingezonden. Omdat eerdere behandeltrajecten niet effectief bleken, is appellante aangemeld bij ‘[bedrijf 2] voor therapie. [X] heeft onder meer verklaard dat appellante op het moment van rapporteren niet in staat is om te werken. Volgens [X] is appellante altijd kwetsbaar geweest, ook in de tijd dat zij aan het werk was. Appellante is geneigd om
sociaal-wenselijk te antwoorden waardoor vaak het idee heerst dat zij zaken begrijpt of oppakt, terwijl zij dit niet wil of kan. Dit heeft geresulteerd in ernstige overvraging, wat heeft geleid tot uitval. Appellante is gebaat bij een gestructureerde (beschutte) werkplek waar zij vanuit een veilige basis werkzaamheden kan uitvoeren en waar zij begeleiding ontvangt. Een reguliere werkplek is voor appellante overvragend en zij kan onvoldoende aan, gezien zowel haar cognitieve niveau van functioneren als haar psychisch welbevinden. Appellante ontvangt sinds september 2019 ambulante begeleiding van een organisatie die mensen met een verstandelijke beperking begeleidt en behandelt, zodat zij haar dagelijks leven en de zorg voor haar zoon zo goed als mogelijk kan uitvoeren. De beschreven klachten zijn sinds de start van de zorg aanwezig en niet verminderd.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de
WIA-uitkering in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Medische beoordeling
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Hierbij is in hoger beroep vooral de vraag aan de orde of de artsen van het Uwv terecht hebben geconcludeerd dat per 3 mei 2021 geen sprake was van een situatie van GBM omdat appellante niet voldoet aan de criteria als bedoeld in
artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat die conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende is gemotiveerd en overeen komt met het door appellante in bezwaar overgelegde psychodiagnostisch rapport van 7 december 2021 van de GZ-psycholoog S. Tekin. In dat rapport wordt vermeld dat appellante in staat lijkt te zijn om voor zichzelf te zorgen, maar daarbij ondersteuning nodig heeft. Appellante heeft aangegeven in staat te zijn om voor zichzelf te koken en de boodschappen te doen, maar ondersteuning nodig te hebben bij complexe dagelijkse taken, zoals de administratie bijhouden en de financiën. Het psychodiagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden op 26 november 2021, 3 december 2021 en 7 december 2021.
4.3.
Het in hoger beroep door appellante overgelegde rapport van 18 april 2023 van
[X] maakt dit oordeel niet anders, omdat uit deze informatie niet blijkt dat bij appellante op 3 mei 2021 sprake is van onvermogen wat betreft het persoonlijk functioneren en het sociaal functioneren. Ook andere uitzonderingscategorieën zijn niet van toepassing. Wat appellante heeft aangevoerd, levert geen nieuwe bevindingen op over de situatie op de datum in geding en biedt dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de per 3 mei 2021 opgenomen beperkingen.
Arbeidskundige beoordeling
4.4.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellante.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2024.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) S. Pouw