ECLI:NL:CRVB:2024:1090
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens verdiencapaciteit boven 65% van laatstverdiende loon
Appellante was sinds 29 september 2014 afwisselend ziekgemeld en ontving uitkeringen op grond van verschillende sociale zekerheidswetten. Na ziekmelding in december 2019 met psychische en lichamelijke klachten kende het UWV haar een Ziektewet-uitkering toe. Bij een eerstejaars beoordeling in 2020 werden haar beperkingen vastgesteld en passende functies geselecteerd die zij zou kunnen vervullen. Het UWV beëindigde de ZW-uitkering per 12 maart 2021 omdat zij meer dan 65% van haar laatstverdiende loon kon verdienen.
In bezwaar en beroep werden aanvullende medische onderzoeken uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen wezenlijke psychische wijziging was sinds de eerdere beoordeling en verwierp de door appellante aangevoerde toename van migraineklachten wegens gebrek aan medische onderbouwing. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de uitkering beëindigde omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor voortzetting van de ZW-uitkering. Het hoger beroep werd afgewezen en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering omdat appellante meer dan 65% van haar loon kan verdienen.