ECLI:NL:CRVB:2024:1093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante werkte als schoonmaakster en werd ziek gemeld in november 2016. Het UWV kende haar een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na bezwaar van de werkgever en aanvullend onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen stelde het UWV vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 17 januari 2022.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, waarbij rekening was gehouden met alle relevante klachten en beperkingen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat niet alle medische informatie was meegewogen en dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege onvoldoende scholing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aanvullende medische stukken dateren van na de datum in geschil en geen aanleiding geven tot meer beperkingen. Ook de verklaring van de dochter werd niet als objectief medisch bewijs gezien. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de functies passend zijn bij het opleidingsniveau van appellante. Het hoger beroep slaagt niet en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.