ECLI:NL:CRVB:2024:1106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek heeft het UWV vastgesteld dat appellante beperkingen heeft, maar dat deze niet leiden tot een arbeidsongeschiktheid van ten minste 35%, wat vereist is voor een WIA-uitkering.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de beperkingen van appellante voldoende waren beoordeeld, waarbij alleen medisch objectieve beperkingen meewegen. Ook de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies werd niet in twijfel getrokken.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen, maar de Centrale Raad van Beroep volgt dit niet. De Raad bevestigt dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.