Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
(zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en
27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante diende in 2012 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat zij voldoende had verdiend en geen recht had op de uitkering. Tegen dit besluit werd destijds geen rechtsmiddel aangewend.
In 2021 diende appellante opnieuw een aanvraag in met het verzoek om terug te komen op het besluit van 2012, stellende dat zij destijds niet in staat was rechtsmiddelen in te zetten vanwege bijzondere omstandigheden. Het UWV weigerde dit verzoek, omdat er geen nieuwe medische feiten of omstandigheden waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de omstandigheden die appellante aandroeg geen nieuwe feiten of omstandigheden vormden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Er is geen grond om het besluit als evident onredelijk te beschouwen.
Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven. De weigering van de Wajong-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.