ECLI:NL:CRVB:2024:1115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid op 3 december 2018 en 19 november 2020
Appellante betwistte de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV, die zij te laag achtte vanwege haar medische beperkingen, waaronder een chronisch pijnsyndroom en depressie. Het UWV had per 3 december 2018 volledige arbeidsongeschiktheid vastgesteld en per 19 november 2020 een vermindering naar 66,92%, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapportages.
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de rapporten voldoende gemotiveerd. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) en de geselecteerde functies sluiten aan bij de beperkingen van appellante. De Raad toetste dit oordeel en concludeerde dat er geen medische objectieve gegevens zijn die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid ondersteunen.
Appellante voerde onder meer aan dat haar depressie ernstiger was dan vastgesteld en dat de belastbaarheid op 25 oktober 2019 representatief was voor 19 november 2020. Deze argumenten werden verworpen omdat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor volledige arbeidsongeschiktheid per 19 november 2020. Ook werd geen reden gezien om rekening te houden met astmatische bronchitis of het gebruik van tramadol als extra beperkingen.
De Raad bevestigt daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wijst het hoger beroep van appellante af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht is vastgesteld op 100% per 3 december 2018 en 66,92% per 19 november 2020.