In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Na een herziene beslissing van het college, waarin het bezwaar van appellante gegrond werd verklaard en het bestreden besluit werd herroepen met toekenning van bijzondere bijstand, heeft appellante het hoger beroep ingetrokken.
De Centrale Raad van Beroep heeft op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld dat het college volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen. Daarom is het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in beroep en hoger beroep.
De proceskosten zijn begroot op €1.750,- voor het beroep en €875,- voor het hoger beroep, inclusief vergoeding van de betaalde griffierechten. De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 4 juni 2024.