Appellanten ontvingen bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) na een brand in hun bedrijfsloods. Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad vorderde een bedrag van €7.086,60 terug omdat het gezamenlijke inkomen van appellanten het normbedrag oversteeg. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond.
Appellanten stelden in hoger beroep dat het college onvoldoende rekening had gehouden met hun persoonlijke omstandigheden, waaronder gebrekkige voorlichting, financiële problemen door de brand en gezondheidsproblemen. De Raad oordeelde dat het college ten onrechte meende dat terugvordering dwingend was voorgeschreven, terwijl artikel 12, tweede lid, Bbz 2004 sinds 1 januari 2020 een discretionaire bevoegdheid geeft.
Daardoor had het college een belangenafweging moeten maken, maar dit niet gedaan. De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat het college een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van een zorgvuldige belangenafweging. Tevens werden appellanten schadeloos gesteld voor procedurekosten.