Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1143

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2024
Publicatiedatum
13 juni 2024
Zaaknummer
23/3001 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:21 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken toestemming bewindvoerder

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en de Centrale Raad van Beroep. Echter, sinds 18 maart 2015 is er een bewind ingesteld over de goederen van appellant vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De bewindvoerder heeft geen toestemming gegeven voor het voeren van deze procedure.

De Raad concludeert dat appellant niet zelfstandig kan optreden omdat hij niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is. Dit blijkt ook uit het hoger beroepschrift, waarin niet duidelijk is waartegen het beroep is gericht of wat appellant wil bereiken.

Daarom wordt het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder verdere inhoudelijke behandeling. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 mei 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van toestemming van de bewindvoerder en het onvermogen van appellant om zelfstandig zijn belangen te waarderen.

Uitspraak

Datum uitspraak: 29 mei 2024
23/3001 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak op verzet van de rechtbank Den Haag van
13 oktober 2023, 22/412 en tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van
6 januari 2023, 20/146 WLZ-V
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het Centraal Administratiekantoor (CAK)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:21, eerste lid, van de Awb bepaalt dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. In artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
2. Bij beschikking van 18 maart 2015 heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Leiden, een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van appellant wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Op dit moment is [bewindvoerder] zijn bewindvoerder.
3. Appellant heeft zelfstandig hoger beroep ingesteld. De bewindvoerder heeft de Raad onder opgaaf van redenen bericht dat hij geen toestemming geeft voor het voeren van deze procedure.
4. Uit de wijze waarop appellant procedeert - hetgeen overigens past bij de onder 3. bedoelde opgaaf van redenen - volgt dat hij niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht. Uit het hoger beroepschrift en de bijlagen is niet op te maken waartegen zijn beroep is gericht en wat hij wenst te bereiken.
5. Gezien het voorgaande is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2024.
(getekend) J. Brand
(getekend) P.A.M. Hulsdouw