Uitspraak
26 januari 2024, 21/1453
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel in een zaak betreffende sociale zekerheid. Volgens artikel 6:5 Awb Pro dient het beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.
De gemachtigde van appellante is bij brief van 8 maart 2024 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de beroepsgronden aan te vullen, maar heeft deze termijn ongebruikt laten verlopen. Vervolgens is bij aangetekende brief van 8 april 2024 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding kan leiden tot niet-inhoudelijke behandeling van de zaak. Ook deze termijn is niet benut.
Er zijn geen redenen aangevoerd die het verzuim kunnen verontschuldigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wordt zonder inhoudelijke behandeling beslist. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet tijdig aanvullen daarvan.