Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2002 een periodieke uitkering als weduwnaar en is in 2006 gevraagd om gegevens over zijn pensioeninkomsten te verstrekken. Hoewel hij toen een vermoeden van pensioeninkomsten meldde, heeft hij de daadwerkelijke pensioenen die vanaf 2011 werden uitbetaald niet gemeld.
De Sociale verzekeringsbank heeft daarom de uitkering met terugwerkende kracht aangepast en het teveel betaalde bedrag van ruim €46.700,- teruggevorderd. Appellant stelde beroep in tegen deze terugvordering en voerde aan dat verweerder al op de hoogte was van zijn pensioenen.
De Raad oordeelt dat het niet melden van de daadwerkelijke pensioeninkomsten een schending is van de inlichtingenplicht en kwalificeert dit als grove nalatigheid volgens artikel 61a van de Wuv. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het teveel betaalde bedrag blijft in stand.