ECLI:NL:CRVB:2024:1168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks toegenomen beperkingen
Appellante, die sinds 2016 ziekgemeld is met whiplashklachten, kreeg in 2018 een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Deze uitkering werd in 2021 beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellante meldde in januari 2022 toegenomen klachten, waarop het UWV na onderzoek besloot geen nieuwe WIA-uitkering toe te kennen omdat zij met haar beperkingen meer dan 65% van haar maatmanloon kan verdienen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de medische beperkingen juist waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV aannam, met verwijzing naar medische stukken van 2022 en 2023.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV zorgvuldig en voldoende gemotiveerd is. Nieuwe medische stukken na de datum in geschil leiden niet tot een ander oordeel. Er is sprake van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, maar deze rechtvaardigen geen toekenning van een WIA-uitkering omdat appellante meer dan 65% van haar loon kan verdienen.
Het hoger beroep wordt verworpen, de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een WIA-uitkering heeft geweigerd omdat appellante ondanks toegenomen beperkingen meer dan 65% van haar maatmanloon kan verdienen.