ECLI:NL:CRVB:2024:117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemeld vrijwilligerswerk bij buitenschoolse opvang
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verrichtte vanaf 26 mei 2020 vrijwilligerswerk bij de buitenschoolse opvang (BSO) zonder dit aan het college te melden. Het college concludeerde op basis van observaties en verklaringen dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden en trok de bijstand in en vorderde deze terug over de periode 26 mei tot 30 juni 2020.
De rechtbank oordeelde dat appellant de bijstand terecht was ingetrokken voor de periode tot 6 juli 2020 vanwege het niet melden van het vrijwilligerswerk, maar vernietigde het besluit voor de periode daarna. Appellant stelde in hoger beroep dat de vrijwilligersovereenkomst aantoont dat er geen sprake was van een schending omdat hij geen vergoeding ontving.
De Raad stelde vast dat het enkel overleggen van een vrijwilligersovereenkomst onvoldoende duidelijkheid gaf over het aantal daadwerkelijk gewerkte uren en het daarmee samenhangende inkomen. Bovendien kon het college niet vaststellen dat appellant recht op bijstand zou hebben gehad als hij wel had voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. Daarom bleef de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode 26 mei tot 6 juli 2020 in stand.
Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door M.F. Wagner en bevestigd op 9 januari 2024.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 26 mei tot 6 juli 2020 worden bevestigd.