ECLI:NL:CRVB:2024:1190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid ondanks medische bezwaren
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met rugklachten en werd door het Uwv minder dan 35% arbeidsongeschikt bevonden, waardoor de uitkering werd geweigerd. De medische beoordeling door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen concludeerde dat zij geschikt was voor bepaalde functies, hoewel haar laatste functie als leerling verzorgende niet meer passend was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegenomen, met name ten aanzien van zitten, bukken en medicatiegebruik, en verzocht om een onafhankelijke deskundige. Het Uwv verbeterde in hoger beroep de arbeidskundige onderbouwing door de functie van wikkelaar te schrappen vanwege snijgevaar.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was en dat er geen aanleiding was voor een onafhankelijk deskundige. De verbeterde arbeidskundige onderbouwing maakte het bestreden besluit deugdelijk. De Raad bevestigde het besluit tot weigering van de WIA-uitkering en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De weigering van de WIA-uitkering blijft in stand omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.