ECLI:NL:CRVB:2024:1219
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor aflossing schuld wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de aflossing van een schuld aan familieleden, ontstaan door voorgeschoten kosten voor de inrichting van haar nieuwe woning. Het college wees de aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet (PW), omdat appellante bij het ontstaan van de schuld een ouderdomspensioen ontving dat hoger was dan de bijstandsnorm.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij onvoldoende middelen had en dat er sprake was van zeer dringende redenen vanwege medische klachten veroorzaakt door de schuld. De Raad oordeelde dat appellante beschikte over voldoende middelen om in haar noodzakelijke kosten te voorzien en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij door de schuld bedreigd werd in haar bestaansvoorziening of dat haar medische klachten door de schuld waren veroorzaakt of verergerd.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellante kreeg geen bijzondere bijstand en ook geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 juni 2024.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor aflossing van schuld wordt afgewezen wegens ontbreken van zeer dringende redenen en voldoende inkomen.