Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg te maken met een ontbinding van zijn huurovereenkomst wegens huurachterstand. Het college betaalde vanaf maart 2021 een deel van de bijstand rechtstreeks aan de verhuurder. Na een vonnis van de kantonrechter in juni 2021 werd de huurovereenkomst ontbonden en vond uiteindelijk een uithuiszetting plaats op 1 juli 2021.
Het college trok de bijstand vanaf 1 juni 2021 in vanwege een hoger inkomen van appellant en vorderde een bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in en verzocht tevens om schadevergoeding wegens de uithuiszetting.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep. Daarnaast was de Raad onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding, omdat appellant geen schadeveroorzakend besluit kon aanwijzen dat de schade veroorzaakte. De uithuiszetting was al vóór het intrekkingsbesluit van de bijstand gebeurd. Hierdoor voldeed het verzoek niet aan de voorwaarden van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en zich onbevoegd voor het schadevergoedingsverzoek. De intrekking en terugvordering van bijstand blijven daarmee in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.