De Centrale Raad van Beroep behandelde meerdere hoger beroepen en beroepen tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Enschede over bijstand en WMO-voorzieningen. In de zaak over de WMO-voorziening oordeelde de Raad dat appellant geen procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van een verstreken periode, omdat terugwerkende kracht niet mogelijk is en appellant geen behoefte had aan toekomstige ondersteuning.
In de zaken over de Participatiewet werden afgewezen aanvragen om bijstand en terugvorderingen beoordeeld. De Raad vernietigde het besluit van 23 juni 2021 en verklaarde het beroep gegrond, waarna het college een nieuwe beslissing nam en bijstand toekende over de periode van 11 maart 2020 tot en met 30 juni 2020, inclusief wettelijke rente. De Raad oordeelde dat appellant geen recht had op bijstand tijdens voorlopige hechtenis, ook al was deze later omgezet in een taakstraf.
Verder verklaarde de Raad meerdere hoger beroepen niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang of niet tijdig ingediende bezwaren. Verzoeken om schadevergoeding werden ingetrokken of afgewezen. De Raad wees tevens op het belang van tijdige besluitvorming door het college en gaf aan dat resterende ingebrekestellingen door het college moeten worden afgehandeld.
Appellant kreeg in de meeste zaken geen proceskostenvergoeding, maar wel terugbetaling van het betaalde griffierecht in één zaak. De Raad bevestigde de rechtmatigheid van de genomen besluiten en het ontbreken van procesbelang in diverse procedures.