Uitspraak
21 maart 2022, 19/2753 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante werkte als telemarketeer en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Zij ontving een ZW-uitkering die door haar ex-werkgever als eigenrisicodrager werd uitbetaald. Op 2 mei 2019 verklaarde de bedrijfsarts haar geschikt voor haar eigen werk, waarna het UWV de uitkering per 3 mei 2019 beëindigde. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het UWV terecht de uitkering beëindigde. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. De Raad overweegt dat de psychische en psychosociale klachten van appellante reeds bekend waren en dat deze haar niet verhinderen om te werken. Ook de fysieke klachten, waaronder ernstige buikklachten, werden erkend maar vormden geen belemmering voor arbeidsgeschiktheid.
Appellante voerde aan dat het oordeel onduidelijk en onbegrijpelijk was, en dat er geen hoorzittingsverslag was. De Raad stelt dat de rechtbank deze gronden gemotiveerd heeft weerlegd en dat er geen nieuwe feiten of medische informatie zijn aangevoerd. De beëindiging van de ZW-uitkering blijft daarom in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering per 3 mei 2019 terecht is beëindigd wegens geschiktheid voor eigen werk.