ECLI:NL:CRVB:2024:1288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft zich ziekgemeld in oktober 2018 en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering in september 2020 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na toegenomen gezondheidsklachten in november 2021 voerde het UWV opnieuw onderzoek uit en weigerde wederom de uitkering, omdat de arbeidsongeschiktheid volgens de arbeidsdeskundige 0% bedroeg.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. De functies die voor appellante waren geduid, waren medisch geschikt, ondanks haar klachten zoals allergieën en chronische darmklachten.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, zoals een stoornis in de energiehuishouding en vermoeidheidsklachten, onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet, omdat appellante deze stellingen niet met nieuwe objectiveerbare medische gegevens had onderbouwd.
De Raad bevestigde dat de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts de geschiktheid van de functies voldoende hadden gemotiveerd en dat de weigering van de WIA-uitkering terecht was. Het hoger beroep werd afgewezen, waardoor de weigering van de uitkering in stand blijft en appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.