ECLI:NL:CRVB:2024:1290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding in november 2019 vanwege lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid juist was vastgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, met name psychiatrische klachten, onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet in staat was om langer dan enkele uren of dagen te werken. De Raad concludeert dat het hoger beroep geen nieuwe feiten of medische informatie bevat die aanleiding geven tot een ander oordeel.
De Raad onderschrijft de rechtbank dat de beperkingen adequaat zijn vastgesteld, inclusief de psychische problematiek, en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het hoger beroep wordt verworpen, waardoor de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.