ECLI:NL:CRVB:2024:1291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De zaak betreft een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid na eerdere beëindiging van de uitkering per 2014. De verzekeringsarts concludeerde dat er geen verslechtering was ten opzichte van 2014, ondanks een kortdurende ziekenhuisopname.
De rechtbank Limburg heeft het beroep ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. Appellant voerde aan dat zijn klachten onvoldoende waren vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en overhandigde medische informatie van behandelaren uit 2022. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig en juist was en dat de nieuwe medische gegevens betrekking hebben op een periode ruim na de beëindiging van de uitkering. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juiste vertaling van de klachten in de FML. Ook is vastgesteld dat de geduide functies passend zijn. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.