Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1291

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2024
Publicatiedatum
3 juli 2024
Zaaknummer
23/1580 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De zaak betreft een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid na eerdere beëindiging van de uitkering per 2014. De verzekeringsarts concludeerde dat er geen verslechtering was ten opzichte van 2014, ondanks een kortdurende ziekenhuisopname.

De rechtbank Limburg heeft het beroep ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. Appellant voerde aan dat zijn klachten onvoldoende waren vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en overhandigde medische informatie van behandelaren uit 2022. Hij verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig en juist was en dat de nieuwe medische gegevens betrekking hebben op een periode ruim na de beëindiging van de uitkering. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juiste vertaling van de klachten in de FML. Ook is vastgesteld dat de geduide functies passend zijn. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

23/1580 WIA
Datum uitspraak: 26 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 april 2023, 21/1974 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellant geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 mei 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schoonbrood. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker. Op 15 mei 2018 heeft hij zich ziekgemeld. Het Uwv heeft per 13 mei 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Bij besluit van 25 september 2014 heeft het Uwv deze uitkering per 2 december 2014 beëindigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid destijds is vastgesteld op minder dan 35%.
1.2.
Een verzekeringsarts heeft appellant in het kader van een herbeoordeling op 9 november 2020 onderzocht. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een verslechtering van de medische toestand ten opzichte van 2 december 2014, maar dat appellant wegens een kortdurende opname in het ziekenhuis van 19 oktober 2020 tot 1 november 2015 volledig arbeidsongeschikt is te achten. De verzekeringsarts heeft op16 november 2020 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld die geldig is per 1 november 2015.
1.3.
Bij besluit van 15 december 2020 heeft het Uwv appellant over de periode 19 oktober 2015 tot 1 januari 2016 een WIA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%, en deze uitkering per 1 januari 2016 beëindigd omdat appellant per 1 november 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.4.
Bij besluit van 8 juli 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 december 2020 ongegrond verklaard en – zoals ter zitting van de Raad nader is toegelicht – bepaald dat appellant over de periode van 1 januari 2016 tot 1 januari 2021 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat in die periode niet is gebleken van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 juni 2021 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 juli 2021 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv inconsistenties bevatten of onvoldoende gemotiveerd zijn. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat het Uwv een onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant vanaf 1 november 2015.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het Uwv zijn klachten onvoldoende heeft vertaald in de FML. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant medische informatie overgelegd van zijn behandelaren, waaronder van een neuroloog van 20 oktober 2022 en een psychiater van 12 oktober 2022. Zijn klachten die uit deze informatie blijken, waren volgens appellant al aanwezig op 1 november 2015 en zijn in de periode daarna toegenomen. Appellant heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen om te beoordelen of de medische informatie juist is vertaald door het Uwv.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Medische beoordeling
4.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 29 juni 2021 op inzichtelijke wijze uiteen heeft gezet dat, hoewel appellant toegenomen klachten ervaart, het niet evident is dat sprake is van toegenomen beperkingen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep specifiek de vraag beoordeeld of de door de primaire verzekeringsarts opgestelde FML van 16 november 2020 dient te worden bijgesteld. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de verzekeringsarts daarbij rekening gehouden met een korte opname in oktober 2015 waardoor appellant tijdelijk volledig arbeidsongeschikt dient te worden geacht. Er zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter geen aanwijzingen dat de medische situatie voor en na deze korte opname wezenlijk verschillend is. Appellant heeft ook geen nieuwe medische informatie aangedragen die aantoont dat de FML zijn mogelijkheden overschat. De aanwezige gegevens, waaronder informatie van 5 augustus 2015 van Rheuma Zentrum Ratingen en 30 oktober 2015 van Themistocles Gluck Hospital beschrijven duidelijke problematiek waar pijnklachten van gewrichten worden benoemd en uiteindelijk de diagnose fibromyalgie wordt aangegeven. In de informatie van augustus 2015 wordt tevens benoemd dat de intensiteit van de bekende pijnklachten in de gewrichten is toegenomen, dat de klachten wisselen en dat appellant ook dagen zonder pijn ervaart. Hieruit blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om structureel verdergaande beperkingen aan te nemen in vergelijking met de medische situatie in 2014.
4.2.
Het standpunt van appellant dat het Uwv zijn klachten desondanks onvoldoende heeft vertaald in de FML, vindt geen bevestiging in de in het dossier aanwezige informatie. De in hoger beroep overgelegde nieuwe informatie ziet op een periode ruim zeven jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering. De oudere gegevens die zijn overgelegd zijn, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd, al door de primaire verzekeringsarts bij de beoordeling betrokken en meegewogen in de FML van 16 november 2020. Het benoemen van bekende diagnosen of bekende klachten op psychisch vlak geeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om een wijziging in de medische situatie of het functioneren te veronderstellen. Appellant heeft geen relevante medische gegevens over de in geding zijnde periode ingebracht. Daarom bestaat onvoldoende grond voor twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
4.3.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellant.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) E.X.R. Yi