ECLI:NL:CRVB:2024:1303

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2024
Publicatiedatum
4 juli 2024
Zaaknummer
23/954 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De Raad heeft appellante meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €136,- binnen een gestelde termijn. Deze termijnen zijn niet nageleefd, mede doordat de gemachtigde van appellante niet tijdig kennis heeft genomen van de aangetekende brieven vanwege een kantooradreswijziging.

De Raad overweegt dat de gemachtigde zelf heeft bijgedragen aan de verwarring door beide adressen te blijven gebruiken in correspondentie. Bovendien is het aannemelijk dat de gemachtigde tijdig kennis kon nemen van poststukken, aangezien hij ook op andere correspondentie heeft gereageerd die naar het oude adres was gestuurd. Appellante had voldoende gelegenheid om het griffierecht tijdig te voldoen, maar heeft dit niet gedaan.

Daarom is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door C. Karman en uitgesproken op 3 juli 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 3 juli 2024
23/954 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2023, 22/690 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van de Weerd, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 25 maart 2023 is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 25 april 2023 is de gemachtigde van appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Op 16 mei 2023 is de betalingsherinnering van 25 april 2023 retour ontvangen, omdat het poststuk niet is afgehaald.
Bij brief van 17 mei 2023 is de herinnering van 25 april 2023 opnieuw aan de gemachtigde van appellante gezonden met de mededeling dat de termijn genoemd in de brief van 25 april 2023 geldt en dat geen nieuwe termijn gaat lopen.
Bij brief van 26 mei 2023 heeft gemachtigde van appellante te kennen gegeven dat men pas op 24 mei 2023, dus na afloop van de gestelde termijn, een notificatie van de ontvangst van die brief op het kantoor heeft ontvangen en dat gemachtigde de brief fysiek eerst op 25 mei 2023 in handen heeft gekregen. Toen heeft hij het griffierecht direct overgemaakt.
Gemachtigde van appellante stelt verder kort gezegd dat hij door een wisseling van kantoor op 7 februari 2023 niet direct de beschikking had over de genoemde brieven. Tot 7 februari 2023 hield hij namens [naam advocatencantoor] aan de [vestiging 1] en vanaf dat moment op het kantoor gevestigd op de [vestiging 2]. Alle correspondentie is gezonden naar de [vestiging 1].
De Raad overweegt dat voor zover er verwarring over het kantooradres heeft bestaan, gemachtigde daaraan zelf heeft bijgedragen door in zijn correspondentie namens [naam advocatencantoor] na 7 februari 2023 beide kantooradressen te (blijven) vermelden. De stelling van gemachtigde van appellante dat hij nooit van een (aangetekende) verzending kennis kan hebben genomen omdat hij niet meer op het oudere adres werkte, wordt niet gevolgd. Los van het feit dat de ontvanger van een aangetekend schrijven normaliter een afhaalbericht krijgt, waarin is vermeld dat een aangetekend poststuk tevergeefs is aangeboden, waar dat kan worden opgehaald en binnen welke termijn, heeft gemachtigde op andere correspondentie van de Raad, gestuurd naar het oude kantooradres, wel gereageerd en ook binnen de voor het betalen van het griffierecht gestelde termijn. Zo heeft hij in het hoger beroepschrift van 1 mei 2023 verwezen naar een brief van de Raad van 6 april 2023, gestuurd naar het oude kantooradres. Aannemelijk is dan ook dat gemachtigde (tijdig) kennis heeft kunnen nemen van poststukken die gestuurd waren naar het oude kantooradres van gemachtigde. Daar komt bij dat gemachtigde van appellante heeft aangegeven dat de nota inzake griffierecht aan appellante is doorgezonden. Appellante heeft deze vervolgens, blijkens de bij de brief van 26 mei 2023 gevoegd e-mailbericht van 26 april 2023 op diezelfde dag doorgestuurd aan de gemeente met het verzoek om bijzondere bijstand te verlenen voor het verschuldigde griffierecht. Onder deze omstandigheden is er voldoende gelegenheid geweest om het griffierecht tijdig, uiterlijk 23 mei 2023, te voldoen.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2024.
(getekend) C. Karman
(getekend) S. Pouw
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.