Appellant, woonachtig in België en pensioenontvanger uit Nederland, was het niet eens met de vaststelling van een restbedrag van € 833,86 dat hij aan het CAK moest betalen als buitenlandbijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet. Het geschil betrof de verrekening van deze bijdrage over de jaren 2018 tot en met 2020.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en het besluit van het CAK in stand gelaten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet correct was gehoord en dat er sprake was van nalatigheid door het CAK en zijn Belgische ziekenfonds, wat tot schade zou hebben geleid. Hij vorderde een schadevergoeding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot vernietiging van het besluit konden leiden. De Raad stelde vast dat appellant weliswaar was uitgenodigd voor een hoorzitting, maar deze uitnodiging niet had beantwoord, waardoor het CAK mocht afzien van het horen. Ook was de verschuldigdheid van de buitenlandbijdrage in rechte vast komen te staan. Er was geen sprake van een onrechtmatig besluit of andere grond voor schadevergoeding.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en liet de verrekening van het restbedrag van € 833,86 in stand. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
De uitspraak benadrukt de bevoegdheid van het CAK tot verrekening van buitenlandbijdragen en de zorgvuldigheid van de procedure, waarbij het horen van de belanghebbende niet verplicht is indien deze niet reageert op een uitnodiging.