ECLI:NL:CRVB:2024:1314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurige zorg wegens ontbreken blijvende 24-uurs zorgbehoefte
Appellant, geboren in 2005 met autisme spectrum stoornis, spraak-taalproblematiek en verstandelijke beperking, vroeg op 17 september 2020 zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af op 3 november 2020, gehandhaafd op 20 april 2021, omdat er geen medisch objectief vastgestelde blijvende behoefte aan 24-uurs zorg in de nabijheid was vastgesteld.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat het CIZ terecht had geoordeeld dat de zorgbehoefte niet was aangetoond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat wel degelijk sprake was van een blijvende 24-uurs zorgbehoefte, mede gelet op de zorg die zijn moeder verleent.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de mate van zorg door de moeder niet leidt tot een medisch objectief vastgestelde blijvende 24-uurs zorgbehoefte. Ook nieuw ingebrachte medische informatie van Stichting MEE ondersteunt dit niet, mede omdat deze informatie later dateert dan het bestreden besluit en onvoldoende onderbouwing biedt dat appellant zich niet verder kan ontwikkelen.
De Raad bevestigt daarmee de eerdere uitspraak en het bestreden besluit blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De aanvraag voor langdurige zorg op grond van de Wlz wordt afgewezen wegens het ontbreken van een medisch objectief vastgestelde blijvende behoefte aan 24-uurs zorg.