Appellante verzocht om verhoging van haar AOW-pensioen omdat zij aannemelijk maakte dat zij vanaf maart 2001 tot haar pensioenleeftijd in Nederland woonde en een substantieel deel van haar werkzaamheden in Nederland verrichtte. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had eerder een korting toegepast wegens niet-verzekerde jaren, welke appellante betwistte.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak. De Raad stelde vast dat appellante haar Duitse adres slechts als postadres gebruikte en dat haar gewone centrum van belangen, zowel privé als werk, in Nederland lag. Diverse getuigenverklaringen en schriftelijke stukken ondersteunden dit beeld.
De Raad paste de Europese regelgeving toe omtrent grensoverschrijdende situaties en oordeelde dat appellante verzekerd was voor de AOW in de periode van 16 maart 2001 tot 17 april 2017. De korting op haar pensioen moest daarom worden herzien vanaf het moment van het herzieningsverzoek in november 2020. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.