Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die zich in 2017 ziekmeldde met psychische klachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Zowel de verzekeringsarts als de arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast, maar concludeerden dat appellant geschikt was voor bepaalde functies. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen groter zijn, mede door detentie, medicatiewijziging en ademhalingsproblemen, en dat de geselecteerde functies niet passend zijn. De Raad volgde dit niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat de medicatiewijziging na de peildatum plaatsvond en dat er geen medische grond was voor extra beperkingen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep lichtte toe dat de functies geen wisselende taakinhoud hebben en passen binnen de beperkingen.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldoende medische informatie aanleverde om de eerdere beoordeling te weerleggen. Het hoger beroep werd verworpen, de weigering van de WIA-uitkering bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.