Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1354

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
9 juli 2024
Zaaknummer
22/1736 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage. Tijdens de procedure heeft het college een nieuw besluit op bezwaar genomen waarin het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit alsnog gegrond werd verklaard en een bijstandsuitkering werd toegekend.

Naar aanleiding hiervan heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft geen verweerschrift ingediend. De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.

De Raad overweegt dat op grond van artikel 8:75a Awb, in samenhang met artikel 8:108 Awb Pro, het bestuursorgaan kan worden veroordeeld in de proceskosten indien het geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan de indiener van het beroep en het beroep wordt ingetrokken.

Gelet op het nieuwe besluit op bezwaar waarin volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellante. Het college moet tevens het betaalde griffierecht in zowel eerste aanleg als hoger beroep vergoeden.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 juli 2024
22/1736 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
22 april 2022, 20/5671
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.W.E. Ros, advocaat, op 2 juni 2022 hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 8 november 2023 heeft mr. Ros namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken naar aanleiding van het nieuwe besluit op bezwaar van 9 oktober 2023. Met dit nieuwe besluit is het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit van 7 april 2020 alsnog gegrond verklaard, en is aan appellante een bijstandsuitkering toegekend. Hiermee is volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
Ook moet het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.625,-;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2024.
(getekend) C.E.M. Marsé
(getekend) A. Giesen